iconMenu
NL
FR
fb icon Twitter icon Instagram icon
background-overlay

Bouwkundige maatregelen



Met bouwkundige maatregelen kan je de weerstand van de toegang tot je woning versterken. Inbraakvertragende ingrepen zorgen ervoor dat de inbreker meer tijd en inspanning nodig heeft om de woning binnen te geraken en daardoor sneller gehoord of gezien kan worden.

Zorg ervoor dat je alle gevelopeningen in dezelfde mate beveiligt. Inbraakbeveiliging aan je voordeur zal niet veel effect hebben als het slot van de achterdeur gemakkelijk kan openen. Een inbreker gaat steeds op zoek naar het zwakste punt van de woning.

Hieronder volgt per gevelelement, enkele bouwkundige ingrepen om de beveiliging van de gevelelementen aanzienlijk te verbeteren.

Let op: voor het behalen van het Certificaat Inbraak Veilig moet elk sluitelement voldoen aan de norm: RC2 (weerstandsklasse 2) van de EN 1627-1630 (Europese Norm) of typebestek WTCB of met S3 attest of gelijkwaardig (SKG**, A2P, TÜV).

Wil je het Certificaat Inbraak Veilig behalen vraag dan eerst gratis advies aan de diefstalpreventieadviseur.

1. Deuren

  • Het is aanbevolen dat een bewoner een bezoeker aan de voordeur kan herkennen zodat de keuze kan gemaakt worden om degene die voor de deur staat binnen te laten. Dit kan met een heldere glasruit in of naast de voordeur of een deurspion. Wees aandachtig voor de combinatie van helder glas en cilinders met draaiknoppen.
  • Er zijn minstens 3 stalen sluitpunten, met een minimale tussenafstand van 450 mm. De nachtschoten van deze sluitpunten steken minstens 20 mm uit, met een sluiting van één of twee toeren of een gelijkwaardig sluitingssysteem.
  • Zorg dat de sluitplaten van de deur vervaardigd zijn uit roestvrij staal met een minimale dikte van 3 mm.

  • Plaats een veiligheidsbeslag op het sleutelgat (over het cilinderslot) die niet meer dan 2 mm uitsteekt. Dit beschermt het slot tegen kerntrekken (= een inbraakmethode waarbij het cilinderslot wordt uitgetrokken).

  • Zorg voor minstens 3 stevige en goed gemonteerde scharnieren op de deur.

  • Monteer op deuren die naar buiten opengaan, 3 dievenklauwen.

2. Opengaande ramen

  • Ramen met een dagmaat < 15cm dienen niet te voldoen aan ondervermelde bepalingen

  • Instaleer op de opengaande ramen slotvaste raamkrukken.

  • Het aantal sluitpunten (stalen paddenstoelsluitingen en bijhorende sluitplaten) en positionering is afhankelijk van de afmetingen van het venster en van eventuele bijkomende inbraakwerende maatregelen. Over het algemeen moeten er minstens 4 sluitpunten aanwezig zijn.

  • Indien er geen paddenstoelsluitingen zijn, raadt men minstens 2 gecertificeerde opzetsloten aan (best op de bovenste en onderste vleugel van het raam). 

  • Je kan ook werken met gelijkwaardige equivalenten die 3 minuten weerstand bieden (barrièrestangen, traliewerk)

  • Een raam dat je heel weining gebruikt kan vastgeschroefd worden. Het is moeilijk om in te breken bij een vast raam. Een raam kan vastgeschroefd worden op de volgende manier:

    • Vanuit elke hoek op 15 cm een schroef monteren
    • Schroeven zijn minimaal Ø 5mm en moeten 4 cm in het kozijn worden geschroefd
    • Zijde < 60cm: 2 schroeven per zijde
    • Zijde > 60cm: minimaal 3 schroeven per zijde
    • Maximale afstand tussen 2 schroeven bedraagt 50cm

3. Schuiframen

  • Installeer een slotvaste raamkruk.
  • Er zijn minstens 3 stalen sluitpunten met haken, met een minimale tussenafstand van 450 mm. De nachtschoten van deze sluitpunten steken minstens 20 mm uit, met een sluiting van één of twee toeren of een gelijkwaardig sluitingssysteem.
  • Indien er geen meerpuntsluiting is, worden 2 gecertificeerde opbouwsloten of een boutslot voorzien, beiden met sleutel afsluitbaar.
  • Je kan een blokkeerlat leggen, maar merk op dat een inbreker deze lat manueel kan verplaatsen als hij een kleine opening maakt in het glas.
  • Zorg dat elk veiligheidsbeslag langs de binnenzijde is vastgeschroefd, zodat deze niet van buiten gedemonteerd kan worden.

  • Bij een langs buiten te bedienen schuifraam plaats je best een veiligheidsbeslag op het sleutelgat (over het cilinderslot) die niet meer dan 2 mm uitsteekt. Dit beschermt het slot tegen kerntrekken (= een inbraakmethode waarbij het cilinderslot wordt uitgetrokken).

4. Keldergaten

  • Instaleer op het keldergat een kettingvergrendeling met spanschroeven, een stangvergrendeling of een barrièrestang.

5. Dakramen en lichtkoepels

  • Voorzie elk dakraam van opzetsloten.

  • Kies steeds voor slagvaste lichtkoepels (polycarbonaat).

  • De lichtkoepels kan je extra beveiligen door deze te bevestigen met toerschroeven.

  • Je kan onder de lichtkoepel ook een afsluitbaar slot monteren.

6. Garagepoorten

  • Voorzie bijkomende sluitingen op de garagepoort.
  • Indien de garagepoort langs buiten opent met een sleutel, voorzie dan een veiligheidsbeslag over het cilinderslot.
  • Bij elektrisch bediende poorten, kies voor een afstandsbediening of een codeklavier dat bediend wordt door een rollingcode.

7. Tuinhuis

  • In een tuinhuis staan vaak waardevolle voorwerpen of gereedschap die de inbreker kan gebruiken bij zijn inbraakpoging. We raden aan om (indien mogelijk) deze materialen veilig in de woning op te bergen of zorg voor een degelijk slot.

8. Verlichting

  • Een goede verlichting en een goede zichtbaarheid zijn belangrijk. Inbrekers worden immers niet graag gezien en de bewoner weet graag wie er voor de deur staat. Er bestaan twee soorten verlichting, de permanente en periodieke:

    • Permanente verlichting zorgt voor een goede zichtbaarheid van de woning zodat omwonenden, voorbijgangers en politie kunnen zien wanneer iets niet pluis is.

    • Periodieke verlichting wordt geactiveerd door een bewegings- of infrarooddetector en zorgt voor een afschrikkend effect. Dit is pas efficiënt als de inbreker opgemerkt wordt door derden.

Tip: plaats de verlichting voldoende hoog zodat deze niet kan gesaboteerd worden.